Blog

Roze Mist

Het is rond half 6 ’s morgens als ik toch nog met de ambulance naar ziekenhuis Rijnstate moet.

Mijn thuisbevalling ging prima, de weeën kwamen snel achter elkaar maar ons meisje leek het allemaal prima op te vangen. Tot de persweeën kwamen. Haar hartslagje daalde snel en de verloskundige deelde me mee dat ik mijn best gedaan had en dat ze het heel jammer vond, maar dat er een ambulance gebeld ging worden. Persen mocht niet meer.

Perswee. Onderbroek aan. Een been in mijn joggingbroek. Perswee. Andere been in mijn joggingbroek, snel een shirt over mijn hoofd. Perswee. “Naar je mond ademen, puf die perswee weg”. Paniekerige blik naar mijn verloskundige, want een perswee puf je niet even weg. Ambulancebroeder komt binnen en zegt dat we echt moeten gaan. Half opstaan. Perswee. Snel van het bed af en de trap af, tot halverwege, want.. Perswee. Snel de trap af en op de brancard getild worden. Perswee.

In de ambulance praat de broeder aardig tegen me. Hij probeert me te ondersteunen in mijn barensnood en blijft maar herhalen: “kom op meisje, je kan het wel! Naar je mond toe ademen”. Verder dan een blik die zegt: “je bent lief, maar je hebt duidelijk nog nooit een kind hoeven baren”, kom ik niet. Ik ben wazig en probeer door mijn zorgen en misplaatst schuldgevoel heen de persweeën weg te puffen. De eerste en laatste golf lukken nog aardig, maar er zit steeds een oerkreet tussen als de perswee in volle vaart door mijn hele lijf golft en puffen slechts een abstract woord uit een voorlichtingsboekje lijkt.

Als we in het ziekenhuis zijn gaat het snel. Er wordt bloed uit mijn dochters hoofdje gehaald en snel wordt mij medegedeeld dat ze er NU uitmoet. De kamer stroomt vol, een gynaecoloog zet een knip op het moment dat hij het meedeelt en ik pers, tijdens en buiten de weeën om als een gek om mijn kindje zo snel mogelijk uit haar benarde positie te bevrijden. De vacuümpomp komt eraan te pas en een paar minuten later is mijn dochtertje er.

Is ze gezond? Heeft ze tien vingers en tenen? Is ze mooi? Ik weet het niet, want ze wordt gelijk bij me weggehaald. Eerst hoor ik niks, dan hoor ik in de verte een huiltje. Opgeluchte zuchten en mijn man die weer wat kleur op zijn gezicht heeft als hij bij me komt om te zeggen dat alles goed is.

Ze brengen mijn dochter bij me en ik mag haar een halve minuut vasthouden voor ze naar de high care wordt gebracht. Ik wacht op dat overweldigende gevoel van zweven op mijn roze wolkje, maar ik voel de kille grond vast onder me.

Een week later zijn we thuis. Ons dochtertje is super sterk, ze heeft haar infectie achter de rug en haar zuurstoftekort lijkt voorlopig nog geen permanente schade te hebben veroorzaakt. De week in het ziekenhuis is voorbij gevlogen: verzorgingsuurtjes, voedingen, bezoek, rust. Het leek bijna een onontkoombaar mantra waar ik half bewust doorheen zweefde. Tot we thuis waren. Mijn dochtertje vond geen rust, weigerde nog langer alleen in een bedje te liggen en wilde alleen bij mama op de borst liggen. Dag en nacht. Ik genoot en wanhoopte. Ik vroeg me af waar die roze wolk bleef, ik zag alleen maar mist. Mist in mijn hoofd, mistige twijfels, mistige nachten zonder slaap. Ik hield zoveel van mijn dochtertje, ze had zo hard gevochten om bij ons te mogen zijn, waarom kon ik dan geen roze wolkje produceren, hoe klein ook?

De waarheid is: die roze wolk komt niet altijd automatisch naar je toe gezweefd. Niet meteen. Soms moet je eerst door de mist. Je hebt je twijfels, je zorgen, het wennen aan het onbekende en de zorg voor een klein mensje dat volledig afhankelijk is van jou, een mensje dat je nog moet leren kennen.

We zijn nu twee maanden verder. De wonden zijn geheeld en mijn prinsesje slaapt lief in haar ledikantje. Na een nacht met bijna acht uur slaap doe ik zachtjes de babykamerdeur open. Ik loop naar het ledikantje en ik kijk naar beneden. Met stralende oogjes en een ontzettend grote tandenloze glimlach kijkt mijn dochtertje, het allermooiste meisje op deze aarde, mij aan. Deze decemberochtend is ineens ontzettend zonnig, geen wolkje aan de lucht. Behalve die ontzettend grote roze wolk onder mijn voeten.


Vorige post

Anouk

Volgende post

5ter

De schrijver

Stephanie van Ipkens

Stephanie van Ipkens

Ik ben Stéphanie, 25 jaar, en sinds 9 oktober 2013 mama van Mirrin. Ik hou van gezelligheid, koffie drinken, kletsen met vriendinnen, wandelen en schrijven. Mijn man is een echt Ernhemmer, en ik ben hem maar braaf gevolgd. Na mijn vroege jeugd in Twente en pubertijd in Doetinchem, heb ik het nu heel goed naar mijn zin als Arnhemse mama!

2Reacties

  1. Han Willems
    5 januari 2014 at 11:57

    Prachtig door Stephanie geschreven. Door dit de opbouw van het verhaal beleef je de emotionele en spannende momenten mee. Ook een goede relativering van de verwachtingen van de te roze wolken.

  2. Mirjam
    5 januari 2014 at 12:16

    Hey meisje,
    Wat onzettend mooi geschreven, heel ontroerend, ben trots op je!
    Liefs mama